Olympische overpeinzingen

De afgelopen weken heb ik vrij regelmatig naar de Olympische spelen gekeken. Tot mijn verbazing werden die niet in Olympia, maar in Rio de Janeiro gehouden. Eigenlijk waren het dus de Riompische spelen, maar dit terzijde.

Terwijl ik even niet heb opgelet, is blijkbaar de oude traditie verlaten dat de atleten naakt optreden. Jammer! Dat gaat absoluut ten koste van de schoonheid. Door de meeste afvaardigingen is overigens veel aandacht besteed aan het ontwerp van de tenues en niet zonder resultaat. Des te spijtiger dat de fraaie uitdossingen meestal ontsierd werden door afschuwelijke, voddige papiertjes op buik en rug waarop naam en nummer van de atleten waren vermeld. Ik heb daar trouwens nog niemand over horen klagen, dus misschien is dat in andere wedstrijden ook wel zo. Ik vind het beschamend. Is daar nu echt geen betere oplossing voor? Is het werkelijk zo, dat we in staat zijn om sondes naar de uithoeken van het zonnestelsel te sturen, maar dat een startnummer moet worden aangegeven door een vodje met punaises op de atleet te prikken? Hier ligt een mooie uitdaging voor de fabrikanten van sportkleding zou ik zo zeggen. Een andere traditie die helaas is afgeschaft is de opschorting van alle vijandelijkheden voor de duur van de spelen. De belegering van Aleppo ging gewoon door.

Iets dat mij bijzonder opviel was het gebrul en gekrijs van de sporters tijdens de wedstrijden. Rio was voor ethologen ongetwijfeld een nog groter feest dan voor de sportliefhebbers. Uit mijn eigen sport- en spelervaring kan ik mij herinneren dat juichen na een gescoord punt al uiterst ongepast werd gevonden. Als de tegenstander iets bijzonder briljants had gedaan zei je wel eens "Mooie bal," of tikte je zachtjes met het krijtje tegen de keu. Meer emotie werd er in mijn tijd niet getoond. Eigenlijk dacht ik dat zulk geschreeuw alleen in het tennis voorkwam, maar het lijkt erop dat steeds meer sporten besmeurd raken. Doordat de Belgen in het schermen een medaillekandidaat hadden heb ik daar ook weer eens naar gekeken. Het viel niet mee. Ik had een beeld van gentlemen die elkaar op sierlijke wijze met een steekwapen naar het leven staan. Sinds die beeldvorming moet er met de sport iets afgrijselijks zijn gebeurd. Over het heen en weer geschuifel dat er toe moet leiden de opponent het eerst te treffen zal ik verder zwijgen, maar wat er gebeurt als er een score is gemaakt tart de stoutste fantasie. Vergeleken bij het vertoon van de schermers is het imponeergedrag van de gorilla een toppunt van sulligheid. Er wordt met rapieren en vuistjes gezwaaid, door knieën gezakt en vooral oorverdovend gebruld. Volgens de commentator probeert men zo de scheidsrechter te beïnvloeden. Als je maar hard genoeg schreeuwt is er een kans dat hij het punt aan jou toekent, ook al heeft de tegenstander het gemaakt. De commentator zag hierin niets vreemds. Het is gewoon één van de vaardigheden die een topschermer moet beheersen. We gaan het meemaken: een schermer die zich terugtrekt uit een toernooi met een ernstige blessure. Aan de stembanden.

Ook opmerkelijk vond ik het om zich heen grijpen van een soort blauwe schimmel, die vele fraai gevormde atletentorso's ontsierde. Naar verluid is de epidemie het eerst uitgebroken onder voetballers, of vechtsporters, dat is niet helemaal duidelijk, maar sporters in steeds meer disciplines zijn besmet geraakt. Een verslaggever vertelde dat het om “tattoes” ging. Wat doet de medische wetenschap? Wanneer kunnen we een geneesmiddel verwachten voor tattoes? Hier alvast een aanwijzing: het komt waarschijnlijk alleen bij mensen voor; bij geen van de deelnemende paarden heb ik ook maar iets gezien dat op tattoes lijkt.

De mentaliteit van de deelnemers was voor mij eveneens een niet aflatende bron van verwondering. Het gaat ze niet om het sporten, ook niet om de prestaties, maar alleen en uitsluitend om het resultaat. Met “resultaat” wordt dan een medaille bedoeld. Deze medailles worden dóór de atleten behaald, maar vóór het land. “Deelnemen is belangrijker dan winnen,” zei baron de Coubertin ooit. “Sport is een voortzetting van oorlog met andere middelen,” lijkt de opvatting van de tegenwoordige topsporter te zijn. De Britse wielrenner Cavendish leverde een bijzondere prestatie door als wegwielrenner een medaille te behalen op de baan. Daar was hij niet blij om. Integendeel, hij was zo nijdig dat deze medaille niet de gewenste kleur zou krijgen, dat hij een Koreaanse renner, die hem op sportieve wijze had tegengewerkt, het ziekenhuis inreed. Nu moet dat natuurlijk kunnen. Het is heel wrang als je tot het besef komt dat alle trainingsarbeid niet meer gaat opleveren dan zilver. Gelukkig maar dat de jury daar ook begrip voor had en Cavendish niet diskwalificeerde.

Het gedrag van het publiek vond ik ook zeer interessant. Vooral als er Braziliaanse deelnemers waren viel er veel te genieten. Elke actie van de Braziliaan (of Brazilianen) werd luid toegejuicht, die van de tegenstander op gejouw, gefluit en boegeroep onthaald, behalve als de actie was mislukt, dan volgde applaus. Ik dacht altijd dat dit typisch iets voor voetbalwedstrijden was. Het was heel verfrissend om dit ook eens mee te maken bij andere sporten, zoals tennis, atletiek, of volleybal. Sommige deelnemers hadden zichtbaar moeite om zich aan te passen aan deze omkering van waarden: boegeroep = goed gedaan; applaus = slechte actie. De meeste Europese sporttoeschouwers vinden uitjoelen of -fluiten van de tegenstander niet zo chique. Behalve de voetbalfans dan. Dat zal ook de verklaring zijn voor het verschijnsel. Er zijn nog wel een paar sporten die een zekere populariteit genieten, maar er is één sport waarvoor alle Brazilianen warm lopen en dat is voetbal. Er bestaan geen Brazilianen die niet van voetbal houden. Elke Braziliaanse toeschouwer is dus per definitie een voetbalfan. Gelukkig is de evolutie van de Braziliaanse voetbalsupporter nog niet zo ver gevorderd als die van de Europese. Anders hadden de tennissers behalve op boegeroep ook nog kunnen rekenen op racistische spreekkoren en ijzeren staven, molotovcocktails en vuurwerkbommen op de baan.

De meeste competities heb ik gevolgd op Sporza en BBC. Het kan toeval zijn, maar elke keer als ik naar Nederland 1 zapte kwam ik in een praatprogramma terecht. Of er was een interview met een sporter. Beide zaken zijn aan mij niet zo besteed. Sport spreekt meestal wel voor zichzelf en sportinterviews zijn mij een regelrechte kwelling. Doorgaans gaan ze mij te hoog of te ver of te diep. Ik kan er met mijn pet gewoon niet bij. Een voorbeeld:

“Wat ging er door je heen toen je besefte dat je hem had?”
“Ja, fantastisch, ongelofelijk. Heb er geen woorden voor.”
“Het was heel spannend, maar het is toch goud geworden, Hoe voelt dat?”
“Ja, ongelofelijk. Heb er geen woorden voor. Fantastisch, fantastisch.”
“Je hebt hier vier jaar lang naar toe gewerkt. Dat moet geweldig zijn dat al die trainingsarbeid zich nu uitbetaalt.”
“Heb er geen woorden voor. Het is zo keigaaf. Ongelofelijk.”
“Besef je al wat je hier hebt gepresteerd?”
“Nee, ik heb er nog geen woorden voor. Het is zo fantastisch. Ongelofelijk, zo supergaaf.”
“Gefeliciteerd, geniet er van.”
“Ja, dank je. Fantastisch, niet te filmen.”

Ik voel dat hier een ragfijn spel wordt gespeeld. Het bedrieglijk eenvoudige oppervlak verbergt zonder twijfel erudiete opmerkingen, puntige aanvallen, vernuftige ripostes en diepzinnige gedachten. Maar waar? Mijn denkraam is helaas te klein om dat te doorgronden.

Waar ik echt afschuwelijk van heb genoten was de sluitingsceremonie. Van vijf voor één tot half acht 's ochtends heb ik ademloos zitten kijken. Het moment waarop de eerste bobo die mocht spreken, ik meen iemand van het Braziliaans Olympisch comité, na ruim anderhalf uur door twee broeders met zachte dwang van het podium werd geleid, terwijl hij onvermoeibaar doorging met oreren en gesticuleren, staat voor eeuwig op mijn netvlies gebrand.

Waren deze spelen een succes? Dat hangt er maar vanaf waar je naar wilt kijken. Dat enkele bouwlocaties vrij gemaakt moesten worden met inzet van tanks, zware artillerie en bommenwerpers is natuurlijk wel een klein minpuntje. Een ander klein minpuntje is dat vele accommodaties, waaronder de verblijven van de deelnemers, niet op tijd gereed waren. Bij de Nederlandse afvaardiging had men dit blijkbaar aan zien komen, daar waren loodgieters en elektriciens aan het team toegevoegd. Voor vele kleinere delegaties zal het toch wat ongemak hebben veroorzaakt dat water en licht vooral door afwezigheid schitterden en dat men er niet aan had gedacht de riolering aan te sluiten. Na de eerste paar dagen verstomde de berichtgeving hierover. Of dit nu kwam doordat er niet meer over geschreven mocht worden, of dat de problemen waren opgelost, is mij vooralsnog niet duidelijk geworden. Dat de spelen een financieel debacle gaan worden zou de Braziliaanse regering, als die er al was, ook niet echt gelegen komen.

Een ander dingetje was het door de staat georganiseerde dopingsysteem in Rusland. Eigenlijk riep het bij mij wel nostalgische gevoelens op: het is weer net als in die goeie ouwe DDR. Ze hadden daar al begrepen dat sport oorlog is, toen Jaap Eden hier nog in hoge hoed en rok, met een sigaartje losjes in de mondhoek, zijn records bijeen reed en trainen maar onsportief vond. Het IOC liet zich in deze weer eens van zijn beste kant zien. Moedig en beginselvast werd de hete aardappel doorgeschoven naar de sportfederaties. Er waren er wel een paar die het aandurfden om de Russen te weren, maar tot een algehele uitsluiting kwam het dus niet. Nu moet mij van het hart, dat uitsluiting van Russische sporters mij ook niet de meest voor de hand liggende sanctie leek. Die kun je toch moeilijk anders zien dan als slachtoffers van het systeem. De dader was hier de staat en die had dan ook uitgesloten moeten worden, wat mij betreft levenslang. Dat was misschien ook nog een impulsje voor de Russische oppositie en dat was dan ook weer mooi meegenomen, ook al heeft dat met sport verder niets te maken. De atleten waren wat mij betreft welkom, maar dan wel onder neutrale vlag.

En hoe was het in sportief opzicht? Daar hoor ik voornamelijk positieve geluiden over. Zelf heb ik een aantal prachtige wedstrijden gezien. Het wielrennen op de weg was bloedstollend. Natuurlijk was het nog mooier geweest als er een paar doden waren gevallen. Dat dit niet is gebeurd lag in ieder geval niet aan het parcours. De gouden medaille van zevenkampster Nafi Thiam zal ik ook niet gauw vergeten. Maar ik heb ook een aantal mooie wedstrijden niet gezien. Voor een deel was dat aan de verslaggeving te wijten. Nadal tegen Del Potro (tennis) moet een thriller zijn geweest, maar overal op de televisie werd de voorkeur gegeven aan evenementen als de kilometer ploegpunniken met staande start, want daar had het nationale team wellicht een kansje om bij de eerste vijftig te eindigen. Maar ja, er was ook zo veel tegelijk aan de gang, er moesten keuzes worden gemaakt en die vielen soms hard uit voor de sportliefhebber. Wat de medailles betreft hebben we het in ieder geval prima gedaan. In het totaal hebben we 974 medailles gehaald: 307 keer goud, 307 keer zilver en 360 keer brons. Daar mogen we met z'n allen best trots op zijn!